Couverture de Meesterlijk Gemopper

Meesterlijk Gemopper

Meesterlijk Gemopper

De : H.W. van Weijlen
Écouter gratuitement

Offres de saison | 0,99 € par mois pendant les 3 premiers mois

5,99 €/mois par la suite. Des conditions s’appliquent. Annulation mensuelle possible.
Meesterlijk Gemopper is de podcast van H.W. van Weijlen met droge, herkenbare en licht cynische verhalen uit de bovenbouw van de basisschool. Over leerlingen, lessen, vergaderingen en alles wat het onderwijs prachtig, vermoeiend en soms volstrekt onlogisch maakt.H.W. van Weijlen
Épisodes
  • Romeinen zonder wifi
    Oct 21 2026

    Romeinen zonder wifi

    door H.W. van Weijlen

    21 oktober 2026


    Tijdens geschiedenis ging het over de Romeinen. Dat is op zichzelf een dankbaar onderwerp. Ze hadden legers, wegen, badhuizen, keizers en voldoende geweld om de aandacht van een gemiddelde groep 7 een tijdje vast te houden. Ik vertelde over het Romeinse Rijk, over steden en handel, en hoe bijzonder het was dat er tweeduizend jaar geleden al wegen werden aangelegd waarvan sommige routes nog steeds worden gebruikt.

    Een leerling stak zijn hand op en wilde weten of de Romeinen toen al wifi hadden.

    Dat was niet helemaal de vraag waarop ik had gehoopt.

    Ik legde uit dat er geen wifi was. Ook geen internet, geen telefoons en geen tablets. Die informatie maakte meer indruk dan het complete Romeinse wegennet. Twintig kinderen probeerden zich ineens een samenleving voor te stellen waarin je niet kon appen. Voor hen was de Oudheid daarmee pas echt begonnen.

    Daarna wilde iemand weten wat mensen dan deden als ze zich verveelden. Ik wees op werk, sport, toneel, badhuizen en elkaar daadwerkelijk spreken. Dat laatste werd met enige scepsis ontvangen. Een wereld waarin je voor contact met vrienden naar ze toe moest lopen, klonk duidelijk primitief.

    Vervolgens ging het over toiletten.

    Romeinen hadden openbare toiletten, vertelde ik. Ze zaten naast elkaar zonder hokjes ertussen. Daarmee was de geschiedenisles voorlopig verloren.

    De halve klas wilde weten of je elkaar dan gewoon kon zien. Dat kon. Er werd gelachen. Iemand vroeg of ze toiletpapier hadden. Niet zoals wij. Ik had het antwoord nog niet helemaal gegeven of er ontstond een levendig gesprek over hoe verschrikkelijk het leven in het Romeinse Rijk kennelijk geweest moest zijn.

    De aquaducten, het rechtssysteem en de bouwkunst konden daar niet meer tegenop.

    Daarna kwam pizza ter sprake. Italië betekende voor de klas inmiddels automatisch pizza, dus moest worden vastgesteld of Julius Caesar die ook at. Ik probeerde uit te leggen dat de pizza zoals wij die kennen veel later kwam en dat tomaten in Europa toen überhaupt nog niet bekend waren.

    Daar werd ongelovig op gereageerd.

    Geen wifi, geen YouTube, geen normale wc én geen pizza. Het beeld van een indrukwekkende beschaving begon snel af te brokkelen.

    Een leerling vroeg uiteindelijk hoe de Romeinen dan filmpjes keken.

    Ik zei dat ze geen filmpjes keken.

    Hij keek me aan alsof ik nu bewust informatie achterhield.

    Aan het einde van de les vroeg ik wat ze over de Romeinen hadden geleerd. Ik hoopte op iets over het leger, wegen of het enorme rijk.

    De eerste vinger ging omhoog.

    “Dat ze geen wifi hadden.”

    De tweede leerling wist nog dat de wc’s geen deuren hadden.

    Vooruit.

    Geschiedenis is tenslotte ook onthouden wat vroeger anders was.

    Volgende week behandelen we de Middeleeuwen. Ik verheug me nu al op de vraag of ridders een oplader bij zich hadden.


    Afficher plus Afficher moins
    3 min
  • Verf hoort op papier
    Oct 19 2026

    Verf hoort op papier

    door H.W. van Weijlen

    19 oktober 2026


    Bij handvaardigheid gingen we schilderen. Dat klinkt overzichtelijk. Je hebt papier, kwasten en verf. De verf gaat met behulp van de kwast op het papier en aan het einde heb je iets dat in het gunstigste geval op kunst lijkt. Het systeem bestaat al eeuwen en heeft zichzelf behoorlijk bewezen. In een klas met twintig kinderen blijkt er toch ruimte voor interpretatie.

    Vooraf legde ik uit hoe we gingen werken. Niet te veel verf op de kwast, potjes laten staan, waterbekers niet omstoten en vooral: de verf blijft op het papier. Dat laatste zei ik extra duidelijk. Niet omdat ik dacht dat iemand van plan was de muren te beschilderen, maar omdat ervaring je leert dat verf een merkwaardig vermogen heeft om plekken te bereiken waar geen enkele leerling hem bewust naartoe heeft gebracht.

    De eerste minuten gingen uitstekend. Er werd geconcentreerd gewerkt en hier en daar ontstond zelfs iets moois. Ik begon voorzichtig te denken dat mijn uitleg effect had gehad. Toen zag ik de eerste blauwe vlek op een tafel. Klein nog. Daar kon ik mee leven. Even later zat er rood op een mouw. De eigenaar wist niet hoe dat kwam. Dat is een standaardreactie bij verf. Niemand weet ooit hoe verf ergens terechtkomt. Het verschijnt. Een natuurverschijnsel.

    Na tien minuten was ongeveer 93 procent van alle verf daadwerkelijk op het papier beland. Dat vond ik, gezien de omstandigheden, geen slechte score. De overige zeven procent had zich verdeeld over tafels, handen, een stoel, twee etuis en de wang van een leerling die met grote overtuiging beweerde zijn gezicht helemaal niet te hebben aangeraakt.

    Er werd ook opvallend vaak water ververst. Niet omdat het nodig was, maar omdat lopen met een beker grijsbruin water kennelijk een welkome onderbreking vormt van het schilderproces. Eén leerling kwam terug met een beker die zo vol zat dat zelfs normaal ademhalen ernaast riskant was. Ik zag hem door de klas lopen en voelde een spanning die ik bij taal zelden ervaar.

    Het ging goed.

    Bijna.

    De beker bereikte de tafel, raakte een verfpotje en zorgde voor een kleine vloedgolf richting een werkstuk dat twintig minuten zorgvuldig was geschilderd. Binnen enkele seconden stonden er vier kinderen omheen met keukenpapier. Zoals altijd bij een incident hielpen er meer leerlingen dan nodig, vooral omdat hun eigen werk daardoor tijdelijk niet hoefde.

    Aan het einde van de les lagen twintig schilderijen te drogen. Sommige waren echt mooi. De tafels waren weer schoon en de meeste handen ongeveer ook. Op de vloer zat nog één groene stip.

    Ik keek ernaar en besloot hem te laten zitten. Drieënnegentig procent is tenslotte gewoon een ruime voldoende.


    Afficher plus Afficher moins
    3 min
  • Niemand heeft iets gedaan
    Oct 15 2026

    Niemand heeft iets gedaan

    door H.W. van Weijlen

    15 oktober 2026


    Aan het einde van de schooldag begint de klassendienst. Dat klinkt officiëler dan het is. In werkelijkheid wijs je twee kinderen aan die mogen ontdekken wat er gebeurt als twintig mensen zes uur lang in één lokaal verblijven en daarbij gezamenlijk volhouden dat ze nergens verantwoordelijk voor zijn.

    “Meester, moeten wij vandaag?”

    Dat weten ze natuurlijk allang. De klassendienst staat op het bord. Hun namen staan er sinds maandagochtend. Ze hebben er die hele week langs gekeken alsof het een waarschuwing voor gladheid betrof.

    De opdracht is overzichtelijk: stoelen aanschuiven, papiertjes oprapen, tafels netjes zetten, potloden verzamelen en even met de bezem door het lokaal. Werk dat met enige tegenzin in vijf minuten gedaan kan worden. Daarom duurt het meestal twintig minuten.

    Het eerste papiertje wordt gevonden naast een tafel.

    “Van wie is deze?”

    Dat is een interessante vraag, omdat het een propje papier betreft zonder naam, pasfoto of DNA-profiel. Toch wordt de klas geraadpleegd. Niemand weet ervan. Niemand heeft überhaupt papier gebruikt die dag. Dat er twintig werkbladen zijn uitgedeeld, doet daar niets aan af.

    Onder een andere tafel ligt een halve gum.

    “Die is niet van mij.”

    Ook dat had ik niet gevraagd.

    Vervolgens wordt een potlood zonder punt aangetroffen, drie stukjes plakband, een dop van een stift waarvan de stift zelf vermoedelijk al weken ergens uitdroogt en een banaansticker die op mysterieuze wijze aan een tafelpoot is bevestigd. Niemand heeft iets gezien.

    Ik begin inmiddels te vermoeden dat het lokaal ’s nachts wordt gebruikt door een kleine groep vandalen met een voorkeur voor kantoorartikelen.

    De twee kinderen van de klassendienst werken ondertussen volgens een taakverdeling die nooit officieel is afgesproken. Eén veegt. De ander begeleidt het vegen door aanwijzingen te geven.

    “Daar ligt nog iets.”

    “Ja, ik zie het.”

    “Daar ook.”

    “Doe het dan zelf.”

    “Maar jij hebt de bezem.”

    Dit is ongeveer het moment waarop ik begrijp waarom grote infrastructurele projecten in Nederland soms jaren vertraging oplopen.

    Bij de kast wordt een verdwaalde lijmstift gevonden. Zonder dop, uiteraard. Een lijmstift met dop is op een basisschool een tijdelijke toestand. Net als een volledig gevuld etui of een schaar die gewoon ligt waar hij hoort.

    Na een kwartier begint het lokaal warempel weer op een lokaal te lijken. Tafels staan recht, de vloer is grotendeels zichtbaar en de kinderen kijken trots om zich heen alsof ze zojuist eigenhandig een naoorlogse stadswijk hebben opgebouwd.

    “Zijn we klaar, meester?”

    Ik wijs naar een prop papier onder de verwarming.

    Ze kijken ernaar.

    “Die lag er al.”

    Dat zou kunnen. Misschien lag hij er al toen de school werd gebouwd.

    Ik laat hem oprapen.

    Daarna mogen ze naar huis.

    Ik blijf nog even achter en zie onder mijn bureau een potlood liggen.

    Ik raap het op.

    Het is blijkbaar van niemand.

    Zoals bijna alles hier.


    Afficher plus Afficher moins
    3 min
adbl_web_anon_alc_button_suppression_t1
Aucun commentaire pour le moment